Terug naar Nieuws

Op 15 maart 2017 deed de Rechtbank Noord-Holland een uitspraak over de bevoegdheid van de Rechtbank in een vrijwaringsincident (ECLI:NL:RBNHO:2017:5938).

Een installateur heeft in opdracht van een bouwkundig aannemer (een vennootschap onder firma) het installatiewerk in een hotel uitgevoerd. Op de overeenkomst tussen beiden zijn de ALIB 2007 van toepassing. Op grond van die voorwaarden is (uitsluitend) de Stichting Raad van Arbitrage voor de Metaalnijverheid en –Handel bevoegd om een geschil te beslechten.

De aannemer is met de opdrachtgever overeengekomen dat de UAV en de UAV-TI (zonder verdere aanduiding) van toepassing zijn, waaraan nog is toegevoegd: “Geschillen dienen afgehandeld te worden in een civiele procedure.”.

De opdrachtgever heeft de aannemer aangesproken vanwege de door de opdrachtgever gestelde gebreken – die deels betrekking zouden hebben op het installatiewerk – en vermeende (gevolg)schade.

De vennoten van een vennootschap onder firma zijn op grond van artikel 18 WvK hoofdelijk – dit wil zeggen: ieder voor het geheel – aan te spreken voor de verplichtingen van de vennootschap, ook voor eventuele verplichtingen tot vergoeding van schade. Nadat de vennootschap onder firma in staat van faillissement is verklaard, heeft de opdrachtgever beide vennoten laten dagvaarden. De opdrachtgever vorderde in die procedure bij de Rechtbank Noord-Holland veroordeling tot vergoeding van de kosten van herstel van beide vennoten (hoofdelijk).

Beide vennoten hebben vervolgens de installateur in vrijwaring opgeroepen, stellende dat de installateur hen zou hebben te vergoeden datgene dat zij verschuldigd zouden zijn aan de opdrachtgever.

De installateur heeft zich vervolgens met succes beroepen op de ALIB 2007 en daarmee op de onbevoegdheid van de Rechtbank Noord-Holland. Daardoor is aan de (vrijwarings)procedure een vroegtijdig einde gekomen; de Rechtbank is niet toegekomen aan de beoordeling van de vordering tegen de installateur.

De installateur werd bijgestaan door mr. R.H. Hulshof